zondag 15 juni 2008

Toespraak op het Brandtpuntgala over "Wat drijft me tot schrijven?", 11 juni 2008

Wat drijft iemand tot schrijven? Een zo eerlijk en illusieloos mogelijke introspectie leert mij dat onze diepste drijfveer meer instinctmatig en soms minder edel is dan we willen toegeven.

Ik schrijf omdat ik altijd geschreven heb. Ik schrijf omdat ik gedreven word. Ik volg mijn natuur gewoon in. Spreken en schrijven horen daartoe. Non possumus non loqui : wat erin zit moet er ook uit. Sommige mensen zijn zenuwachtig omdat ze het woord moeten voeren; anderen omdat zij nog niet mogen spreken. De kunst voor die laatste is te zwijgen, eerder dan te spreken. Men moet er dan wel over waken niet vermoeiend voor de anderen te zijn.

Natuurlijk heeft die drang met ijdelheid te maken. Ik zeg soms dat politici, zeker toppolitici, een Jumbo-Ego hebben. Ik denk daarbij steeds aan de anderen. Ik vraag mij af of dat wel terecht is. Heb ik er zestig jaren over gedaan om tot die akelige ontdekking te komen? Het vermogen van mensen om zichzelf iets wijs te maken is blijkbaar zeer groot. Mijn bewonderde poësisleraar zei ons dat we schrijven om gelezen te worden. Die eenvoudige waarheid vernam ik voor het eerst nu 45 jaar geleden. Men spreekt en schrijft omdat er een publiek is voor uw gevoelens en uw gedachten. Wellicht schrijft men voor zichzelf (zeker als het over een dagboek gaat), maar men publiceert voor een ander. In die zin is de auteur ook vaak een acteur. De oefening in het leven bestaat erin dat oorspronkelijk egocentrisme om te buigen naar meer altruïsme. Niet om zichzelf een moreel alibi te bezorgen maar gewoon omdat men meer op zoek is naar zingeving. Er is niets zo leeg als ijdelheid.

Spreken en schrijven worden ook gestimuleerd door het succes. Wie niet gehoord en gelezen wordt stopt ermee. ‘Le combat cessa faute de combattants !’. Zonder publiek is de schrijver als ‘een café zonder bier’. Maar wat is succes? Plaatselijk, landelijk. Europees, mondiaal. Onze boeken worden gedrukt op enkele duizenden exemplaren. Helmut Lotti heeft al zeven miljoen platen verkocht en Céline Dion 200 miljoen. Succes is vaak als een kinderhand die vlug gevuld is. Ik spreek dan nog niet van het meestal tijdelijk karakter ervan. Wie leest vandaag nog Streuvels? Wie zal er binnen enkele jaren nog Claus lezen? Maar de jager op succes is vlug tevreden, zijn ijdelheid is vlug gestreeld. Maar zoals net gezegd, ook de succesauteur is op zoek naar ‘meer’.

De schrijver wil met zijn talent iets positief doen voor de anderen. Hij vindt het onverantwoord dat hij de boodschap die hij in zich heeft niet kan delen met anderen. Hij werkt dan niet meer voor een naamloos publiek maar voor de andere als andere. Hij wil daarom niet beleren maar wel getuigen. Hij wil overtuigen, of, om een oud woord te gebruiken, ‘bekeren’. Dat is nog iets anders als beleren. De politicus die schrijft wil soms liever lezers dan kiezers. Hoewel! Als hij daarmee electoraal ‘succes’ heeft, des te beter. De auteur die een boodschap heeft weet echter dat hij misschien ‘succes’ zal kennen maar of hij ‘resultaat’ zal hebben is een andere zaak. Hij wil inwerken op waarden, op de cultuur en dat is een zaak van (zeer) lange adem. De auteur weet dan dat hij maar een schakel in de ketting van de geschiedenis is. We zijn dan zeer ver van het oppervlakkig ‘succes’. In deze context is de schrijver iemand die van het ‘principe van het plezier’ is overgestapt naar ‘plichtsgevoel’. Ik moet schrijven niet alleen omdat er een soort innerlijke drang is waaraan ik niet kan weerstaan maar ook omdat ik vind dat het mijn ‘moral duty’ is. Dat is een evolutie die men niet alleen in zijn schrijverschap ziet maar in zijn leven. Ironisch zeg ik soms ‘Ik wil goed eindigen’!

Een politicus die schrijft heeft bovendien iets specifieks. Hij kan over politiek boeken plegen. Meestal schrijft hij die boeken niet zelf en als hij het wel doet hebben ze politiek-electorale objectieven. Een communicatiedeskundige zal hem zeggen dat dit ‘ernstig’ aandoet. Het publiceren is belangrijker dan het lezen! Een boek overleeft soms de persconferentie niet waarop het gelanceerd wordt. Later wenst een aantal politici niet herinnerd te worden aan hun vroegere publicaties. Niets wordt dan zo ergerlijk als te horen voorlezen uit eigen werk! Maar die hype is nu over.

Een politicus kan ook mémoires schrijven. Zeker voor gewezen toppolitici, gewezen premiers bijvoorbeeld, kan dit voor de geschiedschrijving van ons landje in de enkele jaren dat ze invloedrijk waren, belangrijk zijn. De memoralist moet evenwel erover waken dat hij bezig is met dé waarheid i.p.v. met ‘zijn’ waarheid. Die oefening in afstandelijkheid en onthechting is bijzonder lastig. Mémoires mogen niet in de valstrik trappen van een verhaal over het eigen gelijk. Dan wordt het een ‘apologia pro vita sua’, een oefening in ijdelheid. Nog een. Maar ik herhaal mémoires kunnen voor historici ook erg nuttig zijn. Ik weet niet of ik al rijp ben voor mémoires. Het is des te moeilijker omdat ik haast geen nota’s heb genomen, ook niet in mijn periode als Koninklijk Verkenner. Telkens had ik niet het gevoel ‘geschiedenis’ te beleven, laat staan te ‘schrijven’. Wellicht het gevolg van een overdreven gevoel te leven ‘sub specie aeternitatis’.

Een toppoliticus moet een man van verbeelding zijn. Hij vindt uitwegen als alles vastloopt. Het is natuurlijk een creativiteit die totaal anders is als die van een kunstenaar. Die is schepper van een eigen wereld. De lezer betreedt die wereld en leeft daar gedurende de tijd van de lectuur in mee. Het is een soort betovering. De politicus moet met beide voeten in de wereld blijven. Hij verzoent realiteiten, tenminste in normale tijden en niet in periodes van ‘sur-realisme’. Daarom is de politicus van nature geen romancier. Zijn verbeelding in de literaire betekenis schiet tekort. Er zijn voorbeelden van politici-romanciers. De meest gekende was de Britse premier Disraëli in de 19e eeuw. Er zijn wel voorbeelden van romaniers die in de politiek gingen : Chabeaubriand en André Malraux, bijvoorbeeld. Maar het blijven twee wel onderscheiden werelden. Winston Churchill won de Nobelprijs voor literatuur maar dan omwille van zijn mémoires en wellicht omdat hij eerder de Nobelprijs voor de vrede had moeten krijgen!

Er zijn politici waarvan het leven een roman was. Denk aan Mitterrand waaraan nu al tientallen biografieën gewijd zijn. Van een aantal vooraanstaande machthebbers kan er alleen een stationromannetje gepleegd worden… Lezen politici ? Meer dan men denkt en zelfs literatuur. Er zijn echter ook voorbeelden geleend waarbij kranten vroegen aan ministers welke boeken ze meenamen op vakantie en kabinetsleden in paniek titels moesten opzoeken van werken. Het huidig tempo van de politiek brengt echter, vrees ik, steeds meer mee dat het hier-en-nu het haalt op de afstandelijkheid die lectuur van iemand vergt. Het is een dramatische vergissing zich hierdoor te laten meeslepen. Goed bestuur vraagt goede ideeën. Daarvoor zijn er periodes nodig van ‘de longues incubations de flânerie’, waarin men ogenschijnlijk niets doet maar waar in het onbewuste en bewuste gedachten kunnen opborrelen en vorm krijgen. Teveel moet rondlopen nadenken vervangen. Teveel wordt een politiek programma de registratie van wat men hier en daar hoort of graag hoort in plaats van wat men aan het publiek wil laten horen. Het populisme is het omgekeerde van leiding geven naar het beroemde woord : ‘Ik ben hun leider, dus ik volg hen’.

De roman is geen wereld die niet bestaat. De werkelijkheid wordt geprojecteerd in de fictie. Grote romans zijn leermeesters van het leven. Zij verleiden ons door de schoonheid van de taal en zij voeden het nadenken. Daarom heeft ook een politicus baat bij literatuur.

Politiek heeft een nog verdere band met poëzie omdat hier het verband met de werkelijkheid nog verder af is en we nog verder in de wereld van de schoonheid zijn. De dichter bekijkt de wereld met totaal eigen ogen. Er zijn nog minder politici-poëten dan er politici-romanciers zijn. Natuurlijk zijn er uitzonderingen zoals Lamartine bijvoorbeeld. Pompidou schreef een ‘Anthologie de la poésie française’ in zijn jongere jaren. Er zijn dichters die politieke uitspraken doen maar meestal hebben ze geen belang of niet meer belang dan van om het even wie. Dat belet niet dat een politicus beter meer poëzie zou lezen, opnieuw om hem uit de situatie af en toe te bevrijden waarin hij kleeft aan de werkelijkheid. Wie daaraan ‘geplakt’ is kan diezelfde realiteit niet veranderen. Daarom moet hij ze overstijgen of ze bij wijlen achter zich laten. De poëzie helpt daar precies bij. Ze leeft in de wereld van de taal en van een werkelijkheid waar men maar een deel van ziet, die men door-ziet. Zelf pleeg ik af en toe haiku’s. Dat maakt mij nog geen dichter. Het brengt me wel ‘dichter’ bij de poëzie. De haikudichter vertrekt van een waarneming in de natuur, in de seizoenen en eindigt in vijf lettergrepen met een ‘pointe’ waardoor de zaken op een nieuwe manier bekeken worden. In totaal moet hij in zeventien lettergrepen de lezer een indruk meegeven. Ik heb gemerkt dat mijn Grieks-Latijnse opvoeding van ‘gebaldheid’ à la Tacitus mij daarbij helpt en de oefening om in enkele woorden (slogans!) een besluit te trekken evenzeer. Alleen moet men in haiku zijn interesse verleggen van de wereld van de mensen naar die van de natuur. Men moet de verwondering en de bewondering beoefenen. Men moet ondergaan wat ons overstijgt. Men moet het kleine opmerken en tot leven laten komen. De natuur ademt meer harmonie dan conflict uit, althans bij een eerste aanblik. De politicus moet zich dus ontdubbelen als hij zich in haiku stort. Maar dat is precies wat hem sterker kan maken in zijn bedrijf. Hij komt los van zijn obsessies, zijn onmogelijke situaties, zijn ijdelheden om even een ander mens te worden. Los van andere beschouwingen, heeft hij aan die ontdubbeling , aan dat ‘gecompartimenteerd’ leven nood om zelf volwaardig aan (grote) politiek te doen.

Laat er mij nog aan toevoegen dat verbeelding iets anders is dan waanbeelden. De verbeelding doet de bestaande wereld anders bekijken. De waanbeelden die in sommige tijden in de politiek werden nagestreefd en waardoor mensen opgejaagd werden, maken geen of weinig kans in de werkelijkheid. Zij kunnen zelfs gevaarlijk zijn. De verbeelding voeden door literatuur is dus een goed. Een waanbeeld eindigt waan-zinnig of in het niets.

U voelt dat ik een beeld heb van de politicus die ook een ‘uomo universale’ is. Mijn argumentatie was wellicht te functioneel in de zin dat ik er voordelen van zijn beroep in zag. Dat is ook zo. De politicus moet al wat ‘dichter’ zijn naast zijn rol van dicht bij de mensen te zijn. ‘Een volk zonder visie, gaat ten onder’  staat ergens in het Oude Testament. Maar hij heeft er vanzelfsprekend ook als mens baat bij, zoals elkeen van ons. Wie alleen ondergedompeld is in het dagdagelijkse verliest de zin van de dingen. Hij of zij weet niet meer waar hij of zij gaat. Men ondergaat het leven dan veel meer dan het te sturen, voor zover dat weliswaar mogelijk is. Die controle over ons handelen maakt ons ‘humanior’. De moderne politiek stikt in het activisme (denk aan Frankrijk) en in het populisme. Beide zijn ze ingesteld op het onmiddellijke. Het leidt naar de afgrond. In de mate dat dit soort politiek tot geen tastbare resultaten in de werkelijkheid leidt verliest het publiek vertrouwen en respect. Schrijven en lezen geven aan de beleidsverantwoordelijke meer ‘afstand’ ten aanzien van de feiten precies om de feiten te kunnen veranderen. Die politicus hoeft daarom niet ‘afstandelijk’ te zijn maar wel iemand die ruimte geeft aan zichzelf om die later te kunnen doorgeven.

Schrijven is dus nuttig en zinvol tegelijk. Het is geen ‘passe partout’-oplossing. Natuurlijk niet. Maar het helpt.

Er is ook niet noodzakelijker tegenstelling tussen ‘doen’ en ‘zeggen of schrijven’. In de politiek is spreken ook een vorm van ‘doen’ in de zin van overtuigen, een draagvlak voor zijn ideeën scheppen, mobiliseren. Niet alleen om in campagnes de macht te veroveren maar ook om macht uit te oefenen. De Amerikaanse en Angelsaksische politiek doen vaak een beroep op de formulering en zelfs op de romantiek om te ‘begeesteren’. Zo maakte de inaugurale rede van President John Kennedy destijds op mij een grote indruk en dreef me samen met mijn instinct naar het politiek bedrijf. Het woord doet wonderen. Het gaat hier dus om meer dan het woord van de slogans, de oneliners of de kreten.

Wie schrijft die blijft, wordt soms gezegd. De politicus blijft door wat hij achterlaat, door zijn daden. Maar woorden kunnen zijn daden voorafgaan en steun doen vinden bij de bevolking.

Het woord en de letters mogen dus niet alleen behaagziek zijn : jullie vragen, wij draaien. Het woord is de fraaie belichaming van de gedachte en van het ideaal. Het woord moet verhelderen en niet verdwazen. Het woord staat in dienst van een waarheid en niet van een waanbeeld. Het schrijven helpt om dat woord in de praktijk om te zetten over wat de moderne politiek zou moeten zijn : een evenwicht tussen ethisch idealisme en politiek realisme. Teveel van het ene maakt van iemand een profeet of respectievelijk een opportunist of een cynicus. Beide zijn ongeschikt of ongewenst. Schrijven en lezen helpen bij die levenslange zoektocht naar evenwicht en naar wijsheid. Daar is heden ten dage zo’n verschrikkelijk deficit aan. Hoe minder de tijd rijp is, des te meer moeten we doen om haar rijp te maken (J. Bentham).