Toespraak over 'geloof, hoop, liefde en berouw'
bij de inhuldiging van vier glasramen
te Vorselaar
zaterdag 27 september 2008
Toen ik in oktober vorig jaar het klooster van Vorselaar bezocht en vooral de prachtige kapel was ik er mij niet van bewust dat de gemeente nog artistieke schatten herbergde. Een jaar later ben ik hier om vier nieuwe glasramen in te huldigen in de historische Sint-Pieterskerk. Modern werk op mensenoude thema’s in een kerk met een verleden dat duizend jaar teruggaat.
Een glasraam is een bijzondere kunst en een bijzondere kunde. Hét grote verschil met schilderkunst is mijns inziens niet te herleiden tot het onderscheid tussen doek en glas, maar tussen licht en doek. Het glasraam leeft mee met de gang van een dag - van morgenlicht tot avondschemering -, maar ook in zekere zin met de seizoenen, met de uren van dag en nacht, wintertijd en zomertijd, maar ook met regen en vries. Telkens zie je de weerslag, de weerschijn ervan doorheen het glasraam. Dat maakt een glasraam ook tot iets levend. Het licht zelf is het leven. Denk ook aan het prachtige vers van Kardinaal Newman over het licht, symbool van God. Newman schreef zijn beroemd gedicht op een schip, terugkerend van Italië na een zware ziekte. Het was dagen- en nachtenlang windstil. Tijdens een van die nachten wandelde Newman over het schip en werd getroffen door de lamp aan de mast. Een klein, vriendelijk licht. Niet de brandende hitte van de (Italiaanse) zon, maar als een klein, vriendelijk licht, zo is God in ons bestaan.
“Leid, vriendelijk Licht, mij als een trouwe wacht,
Leid Gij mij voort!
’t Ben ver van huis en donker is de nacht,
leid Gij mij voort!
Schoon ook de toekomst mij verborgen zij,
Licht stap voor stap mij met uw schijnsel bij”.
Herinner u ook de woorden uit het Evangelie over de kinderen van het licht en de kinderen van de duisternis. Daarom is het geen toeval dat haast alleen kerken glasramen kennen.
De glazenier Raph Huet hecht ook een grote betekenis aan de keuze van de kleuren. Blauw is de kleur van de hemel, van de volmaaktheid, van de zuiverheid, van de harmonie. De mooiste zeeën zijn blauw. ‘Die schöne blaue Donau’, het is een pleonasme! Het is geen toeval dat de drie goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde blauw als kleur kregen.
Ik wou hier vandaag precies iets meer zeggen over de thema’s van de vier glasramen.
Vooreerst : het berouw. Dat is geen ‘moderne’ deugd. Het betekent immers dat men schuld bekent, zich schuldig voelt en tot inkeer komt. Het berouw wordt vaak voorgesteld als de voorwaarde voor vergeving, dé christelijke deugd bij uitstek. Wie vergeeft, overtreft zichzelf. Hij verlaat de wraak. Hij stelt een eind aan het vijanddenken. Het is een ‘gave om niet’, een eenzijdig gebaar, ook al heeft de andere geen berouw. Misschien leidt de vergeving van de ene zelfs tot een gevoel van berouw bij de andere. Wie vergeeft brengt een soort schaamte teweeg bij de andere, een schuldgevoel en dus berouw. We ‘rouwen’ in het be-rouw om onze schuld, om onze ‘zonden’. Na het berouw kan men een nieuw leven beginnen. Het verleden verlaat ons niet, maar het achtervolgt ons ook niet meer. De goddelijke Vader vergeeft. ‘Vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren’ wordt gebeden in het ‘Onze Vader’.
Wie geen berouw heeft, is vrij van zondebesef. Dat hoor je vandaag vaak. ‘Ik heb van niets spijt. Ik zou alles wat ik deed op dezelfde manier doen’. Alsof we onverbeterbaar zijn. Het is haast grotesk.
Tegenover dat levensgevoel staat het woord van Christus. ‘En als hij (je broeder) zevenmaal op een dag tegen je zondigt en zevenmaal naar je terugkeert en zegt ‘ik heb berouw’, dan moet je hem vergeven. (Lucas, hfst. 17, vers 4).
De drie ‘goddelijke’ deugden starten met geloof. De mooiste ‘definitie’ hiervan vind je bij Paulus ‘Het geloof is de vaste grond van wat wij hopen. Het overtuigt dus van de werkelijkheid van onzichtbare dingen’. (Hebreeën, hfst. 11, vers 1). Geloof en hoop zijn zeer nauw met mekaar verbonden.
Geloof heeft als woordwortel ‘vertrouwen’.
Het vertrouwen dat de God van het Verbond Zijn beloftes zal nakomen. De hoop dus dat goed en kwaad zal vergolden worden, dat leven en dood zullen opgeheven worden.
De overwinning van het goede en van het leven. Zinsbegoocheling zeggen de ‘on-gelovigen’. Maar zoals er een verband is tussen geloof en hoop is er ook een verband tussen geloof en liefde. De Germaanse woorden ‘glauben’, ‘to believe’ en ‘geloven’ hebben in oorsprong te maken met het begrip ‘lief’ in de zin van ‘aangenaam’, iets wat ‘lof’ verdient.
Het geloof in een persoonlijke God is een ‘steen des aanstoots’. Het gaat in tegen een cultuur van het tastbare, het meetbare, het voelbare, het materiële, het bewijsbare. In die zin is zowel berouw als geloof niet ‘modern’. En toch.
Hoop is het omgekeerde van wan-hoop, het gevoel van zin-loosheid. Geen vervulling van iemands dromen of verlangens. De meest fundamentele verlangens zijn die naar goedheid en eeuwigheid. Maar ook in het dagelijkse leven hopen wij. Wij hopen dat het beter wordt, voor ons of voor onze geliefden. Wij hopen dat, als het goed is, dat het zo blijft. Elke dag brengt zijn eigen leed of zijn eigen verrassing mee. Wie zonder hoop is, kan niet leven. Niemand kan leven van dag-op-dag. Dan strompelen we voort.
Hopen mag ook nooit iets passief zijn. Wachten dat er een externe gebeurtenis of iemand anders voor de vervulling van uw verlangens kan zorgen. Hopen is een werkwoord. Het diepste verlangen van mensen kan echter niet door mensen worden vervuld, niet in de ‘civitas terrena’ (aarde), maar in de civitas Dei (Gods Rijk). Maar Gods Rijk start hier.
De gelovige is wezenlijk hoopvol, want hij staat er niet alleen voor. Er is iemand die ‘alle tranen zal wegwissen’. In het algemeen zijn mensen met een overtuiging, religieuze en andere, meer hoopvol dan anderen.
Hoop is evenmin modern in een wereld waarin depressie een beschavingsziekte is en wij in Vlaanderen een van de hoogste zelfmoordratio’s ter wereld hebben.
Hoop is ook niet modern omdat men zijn of haar afhankelijkheid erkent. Uiteindelijk zijn we niet de schepper van ons eigen lot. Wij hebben niet alles in handen. Het fiere individu heeft anderen en de Andere nodig.
Tenslotte is er de liefde. Het eigene van het christendom is het dubbelgebod. De naastenliefde en het hoogste gebod, de liefde tot God, worden samengetrokken tot een onlosmakelijke twee-eenheid. Wie aan zijn naaste voorbijgaat, gaat aan God voorbij. De liefde tot God en de liefde tot de naaste worden in zekere zin uitwisselbaar. In het Oude Testament staat ‘Bemin je naaste’ vermeld tussen andere gedragsregels, reinheidsvoorschriften, wijsheidsspreuken en rechtsregels. De naastenliefde is slechts één aspect van een godsdienstig en zedelijk leven. In het christendom daarentegen wordt de naastenliefde uitdrukkelijk verheven tot het op één na hoogste gebod. Het voornaamste is ‘Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand’. Vreemd is dat de liefde een ‘gebod’ is. De liefde is vrij, denken wij. De werkelijkheid is dat de liefde het overwinnen is van een haast natuurlijk egoïsme. Niet uw Ik involgen vergt een inspanning en is dus geboden.
Wie is uw naaste? Dat is niet alleen uw naaste, degene die dicht bij u is. Dat is immers makkelijk. Iedereen heeft een natuurlijke voorkeur voor degenen die hem nabij zijn: zijn ouders, zijn kinderen, zijn buurt of dorp, zijn volk, zijn land. Het moeilijke is de andere aanvaarden, die een andere taal spreekt, een andere levensopvatting heeft, een andere seksuele geaardheid, een andere huid, kleur. In de parabel van de barmhartige Samaritaan is de andere werkelijk de vreemde, die men niet alleen tolereert, maar ook helpt, lief heeft.
Natuurlijk zijn wij geen helden. ‘Bemin uw vijanden’ is te hoog gegrepen, niet menselijk. Het is de richting die telt. Het christendom is er niet alleen voor de heiligen en wie dat niet is zou zich schuldig moeten voelen. Hopelijk is God voldoende vergevingsgezind en houdt Hij rekening met onze (verschoonbare) zwakheden.
Paulus zegt: ‘Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde’ (Korinthiërs, hfst 13, vers 13). Het andere woord is dat van Johannes: ‘God is liefde. Deus caritas est’. Ook degene die niet gelooft beseft dat hij uiteindelijk leeft van de liefde. Wie er geeft zal er ontvangen en zal vervuld zijn. De transcendente waarde in een wereld zonder hemel is ook de liefde. De belangloze liefde, niet om iets materieels terug te krijgen, maar steeds in de hoop dezelfde aandacht en vriendschap terug te krijgen. Dat maakt een leven zin-vol, ook al is het zo vluchtig.
De kunstenaar Raph Huet heeft gepoogd – en met welke schittering – die vier deugden om te zetten in kleur, glas, licht en vormen.
Zoals uw altaar vol symboliek zit, zo ook deze tweede rij glasramen. Spreken over deze vier thema’s is mooi, maar ze artistiek vertalen is zoveel moeilijker.
Woorden verdwijnen, kunstwerken blijven ook al zijn we er zelf niet meer. En toch hoop ik dat mijn woorden luister bijzetten aan dit kunstwerk.


Reacties