Toespraak "De jaren zeventig en vandaag"
donderdag 18 september 2008
BECI (Kamer van Koophandel & Verbond van Ondernemingen te Brussel)
Deze jaren 2008-2009 worden soms vergeleken met de crisis van de periode 1979-1981. Toch zijn er wezenlijke verschillen tussen beide periodes.
Zo is de economische groei nu positief (ongeveer 1 à 1.5 pct.) terwijl we in 1981 een echte recessie kenden (- 1.5 pct.). Zeker geen vergelijking mogelijk met de jaren dertig (- 35 pct. tussen 1929 en 1934 in de nijverheid).
Het begrotingsdeficit is in 2008 volgens de NBB 0.2 pct. en volgend jaar ongeveer 1 pct. van het BBP, bij ongewijzigd beleid. In 1981 waren we aan 15 pct. Wel is het zo dat het primair overschot nu maar het peil bedraagt van 1993 toen Dehaene en ik startten met het Globaal Plan.
De werkloosheid verdubbelde in de fatale jaren bijna drie decennia geleden terwijl ze in 2008 daalde, zeker in Vlaanderen (- 7 pct.) en nauwelijks stijgt in 2009. De werkgelegenheid zal in twee jaar (2008-2009) zelfs groeien met bijna 100.000 (waarvan 28.000 volgend jaar).
Het lopend betalingsbalanstekort was in 1981 4 pct. van het BBP en nu blijft er een overschot van 0.4 pct. (met weliswaar een negatieve handelsbalans o.m. als gevolg van de olieprijzen en slinkende marktaandelen).
De inflatie bedroeg 12.8 pct. tijdens de eerste olieprijsschok (1974-1975), 8.7 pct. tijdens de tweede (1982) en 4.1 pct. bij de derde (2008). Sindsdien is het monetair, begrotings- en inkomensbeleid anders geworden.
De structurele kwalitatieve verschillen zijn nog belangrijker dan uit de cijfers blijkt.
Toen was ons land een uitzondering in de EU. Het ‘zieke kind’. Het eindigde in de eenzijdige devaluatie van 1982. Vandaag presteren wij conjunctureel, tenzij voor de inflatie, gemiddeld tegenover de rest van de eurozone. De structurele problemen van België, maar ook van Vlaanderen drijven echter de jongste jaren steeds meer boven bij gebrek aan hervormingen o.m. inzake productvernieuwing, arbeidsmarkt en vergrijzingkost.
De euro loodste de EU doorheen de derde olieprijsschok zodat zelfs de rente laag bleef, zeker in vergelijking met 1981 toen de langetermijnrente tot 14 pct. opklom (tegen max. 5 pct. nu). De euro vervult echter geen signaalfunctie meer voor de kwaliteit van het nationale overheidsbeleid. De BEF dwong ons destijds tot maatregelen. Onze samenleving is vlug geblokkeerd door sociaal-economische en communautaire tegenstellingen. Externe druk is dikwijls nodig.
Sedert 1993 kennen we een gezondheidsindex, waardoor de benzineprijzen niet meegerekend worden. Het verschil tussen de gewone index en die gezondheidsindex bedraagt in 2008-2009 volgens het Planbureau 0.6 pct. wat natuurlijk een aantasting van de koopkracht betekent, maar gunstig is voor de concurrentiekracht! Het behoud van de indexkoppeling was alleen mogelijk door de wet op de concurrentiekracht (1996). Als men het ene behoudt, moet wel het andere toegepast worden! Hoe dan ook is er door de olieprijsschok een collectieve verarming veroorzaakt.
Deze keer is er niet alleen een oliecrisis, maar eveneens een financiële crisis vertrekkend van de VSA, maar die ook voor Belgische banken gevolgen heeft. Wellicht zijn alle daarvan nog niet zichtbaar, maar een zekere kredietschaarste de volgende jaren is zeker niet uit te sluiten. De verhoging van de spaarrente hier zou ook een duidelijke verhoging van de hypotheekrente kunnen meebrengen. Naast een effect op het kredietvolume en de rente is er een weerslag op het vertrouwen van verbruikers, bouwers, beleggers en investeerders. Dat zal wegen op de economische groei.
De olie-, voedsel- en grondstoffenprijzen zullen blijvend hoger blijven dan tot voor enkele jaren als gevolg van de economische groei in o.m. China en India. De prijs van de ruwe aardolie is in 2008 gemiddeld 11 (elf) maal hoger dan in 1999. In 1973-1974 was er een verviervoudiging. Gelukkig is de energie-efficiëntie tegenover de eerste olieprijsschok meer dan verdubbeld. De huidige daling van de olieprijzen heeft - naast het wegebben van speculatie - ook met recessie te maken en is in die zin zelfs geen positief signaal!
Budgettair waren de besparingsrondes van de jaren tachtig en negentig ook gebaseerd op directe lastenverhogingen (indexsprongen en opcentiemen). Dat is vandaag niet langer mogelijk. Integendeel, er werden en worden zowel langs uitgaven- als ontvangstenkant meer positieve maatregelen voorzien in het kader van het handhaven van de koopkracht. Dit verhoogt de druk des te meer op de niet-vergrijzinguitgaven (ook deze in de sociale zekerheid) die de volgende jaren hoe dan ook op de zerogroei moeten zitten. De financieringswet voor de deelstaten schept wel problemen. Zo kan de Vlaamse overheid de personenbelasting van werkenden verlagen met 300 euro per kop, terwijl de federale overheid minstens 5 mia moet “besparen”.
De arbeidsmarkt ziet er ook helemaal anders uit. De daling van de beroepsbevolking veroorzaakt arbeidstekorten, zelfs in een slabakkende economie. De werkloosheid zal steeds minder een barometer worden van de economie. Door de immigratie zal de volgende jaren weliswaar de bevolking op arbeidsleeftijd groeien van 7 milj. nu naar 7.3 in 2020 en 2050, evenwel niet in Vlaanderen. De totale nationale bevolking stijgt van 10.6 milj. naar 12.6; in Vlaanderen van 6.1 naar 7.0 in 2050. Het migratiesaldo bedroeg in 2006 netto 50.000 zoals dat ook tot 2010 voorzien wordt ! In Vlaanderen ongeveer 20.000 per jaar.
Arbeidstekorten kunnen bij een herleving van de economie snel uitmonden in een looninflatie. Daarom is een wetgeving op de concurrentiekracht noodzakelijk (cfr. Nederland rond het jaar 2000).
Meer bevoegdheden voor de Gewesten en Gemeenschappen kunnen meer economische groei meebrengen omdat elke regio meer rekening kan houden met zijn specifieke situatie (cfr. enorme verschillen in BBP per capita, fiscaal inkomen per hoofd en werkloosheid) tussen de gewesten. Separatisme is een collectieve verarming en een mogelijk verlies van Brussel als zetel van de EU.
De Belgische staatshervorming zal zoals in de EU een evolutief proces zijn (in ‘pakketten’) naar analogie met de EU, die vier (grondwettelijke) verdragswijzigingen kende op vijftien jaar.



Reacties