Toespraak
over ‘Kunst en zingeving’
Sint-Michielskathedraal
vrijdag 3 oktober 2008
Door wat is kunst ingegeven? Wat drijft een kunstenaar? In de eerste plaats wil hij het leven vatten, in zijn of haar handen houden. Die innerlijke kracht die in hem is uitdrukken in woorden, in verf, in marmer of brons, in muziek, in dans. Dat kan het leven zijn in zijn oerkracht of in zijn drang naar vernieling. Eros of Thanatos. De kunst kan nog verder gaan en gestalte geven aan dat groot tekort dat we in ons voelen, de angst voor het verdwijnen in de dood of de eeuwige strijd tussen goed en kwaad, dikwijls met de overwinning van het Boze, herinner u, de duivel.
De kunst misprijst de rede niet maar haar ‘démarche’ loopt naast rationeel en wetenschappelijk inzicht. Kunst wil niet verklaren maar wel uitdrukken. De grote Rilke zei : ‘Und wie zuviel begreift dem geht das Ewige vorbei’.
Kunst kan die kreet van onmacht vertolken, die ‘schreeuw’! of die hang naar het Verloren Paradijs, naar een wereld van onschuld, van zuiverheid. Kortom, naar de hemel. Precies omwille van dat tekort is melancholie zo typisch voor de dichter. ‘Poëzie is verdriet’ zei Anton Van Wilderode of ‘On ne chante que les choses absentes’ (Paul Valéry).
Kunst kan ook direct naar het Absolute gaan, naar eenheid, naar harmonie, het einde van de gespletenheid waarin elk verlangen en elke angst in zit. Kunst wordt dan een ode aan de kosmos of de natuur, aan de liefde, voor de mensen of voor één mens of voor die ene God. Kunst steekt dan zijn armen uit naar het ongrijpbare en heeft de illusie dat Onuitsprekelijke toch uit te spreken en een naam te geven. Kunst heeft dan de pijn van de dichter Bertus Aafjes overwonnen. ‘Het Onuitsprekelijke maakt ons eenzaam wijl wij het bij de naam niet noemen kunnen. Het nameloze maakt ons naamloos droef.’
De kunstenaar is een bevoorrechte. Hij kan die dromen, dat magma in hem gestalte geven. Het feit alleen dat hij er kan over spreken, dichten, toonzetten, kappen en borstelen is een bevrijding op zich. Hij kan die energie en dat gevoel omzetten in iets creatiefs. Hij kan tegenover een wereld zoals hij is een nieuwe wereld scheppen, een tegenwereld. Hij is een schepper, een ‘poëet’, zeggen de Grieken.
In de psychoanalyse is spreken een deel van de therapie.
De kunstminnaar of de kunstliefhebber participeert aan die creativiteit. Hij treedt in de wereld van Michelangelo, van Vermeer, van Picasso, van Bach, van Shakespeare.
De Groten zijn gidsen voor de mensheid. Wat we zouden willen zeggen of laten horen en zien, doen zij in onze plaats. Kunst liefhebben is dus evenzeer een loutering, ‘par personne interposée’. Maar ook de ‘kleinkunst’ kan dat: als een zanger op een festival of in een zaal zijn verdriet of zijn liefde uitzingt, participeert het gehoor op de weide mee. De ‘artiest’ is dan een soort demiurg. Hij drijft de gevoelens die in ons zijn eruit. Of een amateur-kunstenaar kan door zijn tekeningen of aquarellen in een soort naïeve schilderkunst dat verlangen naar huiselijkheid, naar evenwicht, naar die burgerlijkheid die we nodig hebben opwekken.
Heeft de kunst expliciet een taak, een opdracht? Kunst is in de eerste plaats een ‘drang waaraan we niet kunnen weerstaan’. Kunst wil men niet. Men moet. De kunstenaar is een dwangarbeider. Maar tegelijk wil hij dat anderen lezen, kijken of luisteren. Hij heeft de andere nodig, als een publiek. Ook al is het de allerindividueelste uitdrukking van de allerindividueelste emotie.
De kunstenaar wil niet overtuigen. Hij wil laten zien. Hij wil ontroeren langs de weg van de schoonheid, onder al zijn vormen (tot de esthetiek van het lelijke toe). De schoonheidservaring verheft de mens boven het vergankelijke. Het heeft iets transcendents. De kunst staat meestal niet rechtstreeks in dienst van een gedachte of een ideaal. Zeker niet bewust. Kunst komt uit de kunstenaar voort. Het gaat om zijn gevoelens en gedachten. Niet om een Idee of Ideaal dat hem van buiten uit is opgedragen of voorgehouden. Als het niet van hem is kan hij ze niet omzetten in ontroering en schoonheid.
Zo komt religieuze kunst niet voort uit een drang naar evangelisatie, maar uit godsverlangen of God zoeken. De bouwers van kathedralen maakten hun gotische gewelven of bekleden de portalen met beelden omdat ze de Onbereikbare in steen wilden behagen of vasthouden. In de Middeleeuwen deden zij dit zelfs naamloos. Als de monniken de bijbels in sierlijke handschrift verluchtten, dan wilden zij zeggen dat er voor hun God het nooit mooi genoeg kon zijn. Daarom werd zoveel energie, geld en arbeid ingezet voor kerken. Het had geen ‘nut’, maar het had ‘zin’ voor de ambachtsmensen en kunstenaars. Ook de kathedraalbouwers vonden dat hun bogen, gewelven en torens mochten gezien worden omdat hun God zichtbaar moest zijn. Echte kunst start dus altijd van binnen, uit liefde of uit doodsdrang.
Er was een tijd waarin religie zo vanzelfsprekend was dat kunst vanzelf uitmondde in religie. Die tijd is in West-Europa voorbij. Soms beleeft men het tegendeel en staat kunst in het teken van het lelijke en negatieve van de mens. ‘Kunst is vuiligheid.’ (Antonin Artaud). En toch moet men vaststellen dat de zin voor religie een enorme bron van kunst was en is. Aan de basis van alle grote godsdiensten ligt een grote poëtische tekst. In zekere ‘zin’ is kunst steeds een zoeken naar het absolute, naar waar het in ons en rondom ons om gaat. Kunst heeft altijd met het immateriële te maken, het spirituele en bij afgeleide het religieuze.
Kunst wil het immateriële in materie omzetten om, zoals gezegd, er vat op te krijgen.
Poëzie bijvoorbeeld en religie dromen van een onzichtbare wereld, die geen levend wezen ooit onder ogen kreeg maar waarnaar verlangt wordt als naar zijn ultieme vaderland. Ook al is die bestemming niet voor iedereen dezelfde.
Mensen zijn zinzoekers, ook al kunnen ze tot besluit komen dat er geen zin maar zinloosheid is en dat men moet leren leven met dat gebrek aan uiteindelijke zin. Leren leven met het absurde. Maar zelfs dan zoeken we hoe we die enkele tientallen jaren die we op deze planeet mogen rondhuppelen ‘zinvol’ kunnen doorbrengen zodat we ‘te-vreden’ zijn over onszelf. Dat zal steeds zijn omdat wij iets deden of betekenden voor anderen. Er is geen grotere leegte dan het egoïsme.
Op een of andere wijze treedt de kunstenaar uit zichzelf. Hij vermaterialiseert het innerlijke. Hij handelt onder de dwanggedachte dat te doen, maar evenzeer onder de behoefte mede te delen. Kunst is dus zowel individueel als sociaal. Wie van het werk van de kunstenaar houdt is zijn vriend. Hij deelt mee in zijn wereld. Alleen al daarom omwille van die gerichtheid op de andere is kunst zinvol. De zin is steeds de andere. Het leven zonder de andere is niets.
De religieuze kunstenaar wil de God-in-hem tonen. Hij wil hem doorgeven. Nogmaals niet uit een soort bekeringsdrang, maar uit een gevoel ‘non possumus non loqui’.
Herinner u die Vlaamse uitdrukking ‘Waar het hart van vol is, loopt de mond van over’.
Natuurlijk houd ik het meest van kunst die ingegeven is door Eros in plaats van Thanatos. Dat wil niet zeggen dat die kunst die van het leven houdt zonder pijn, zonder verdriet of zonder wanhoop soms is, maar de krachten van het leven zijn sterker dat die van de dood. Een beschaving moet van het leven houden. Zoals een gods-dienst ook een levens-dienst is. Een religie van het zwaard of van de haat zou een contradictio in terminus moeten zijn. Er kan alleen een christendom van Franciscus van Assisi zijn. God schept in geen ander behagen. Dan pas zal Hij zeggen dat het goed is. Tenslotte is Hij de grootste Kunstenaar omdat hij een Schepper is.
De God van het christenen is echter ook een Vader, de Schepper van goedheid. Schoonheid en goedheid vallen uiteindelijk samen, maar dat is niet in het ‘Civitas terrena’, maar in de ‘Civitas Dei’. In afwachting daarvan of bij gebrek daaraan, behelpen wij ons – gelovigen en anders gelovigen – met sonnetten, verzen, potloden, penselen, hamers, lichamen, trompetten en violen om uit onszelf te treden, het leven en de anderen tegemoet. Als het authentiek is zal het ontroeren en is het dus daarom alleen al, zinvol. Als het met talent is dan zullen het generaties zijn die ernaar kijken of luisteren. Een beschaving van het leven zingt uit: ‘What a piece of work is man’.



Reacties