Op de kentering der tijden geboren,
in onze ogen nog de ondergangen
van de oude werelden die verbleken,
onze lippen geplooid ten nieuwe groet,
en in ons hart een tweedracht van verlangen
naar dromen van weleer, die wij verloren,
naar de nieuwe, wier bloesems openbreken –
zo moeten wij door bittre jaren zwerven,
het is altijd een strijd en een ontbreken:
alles in ons beweegt zich als een vloed
en somtijds zinkt het weg, alsof wij sterven.
