Hij liep in de nog ongenoemde morgen,
Met lange benen en met lange armen;
Zijn borst was jong en fris van vurigheid;
Zijn ogen stonden open op de dingen,
Zijn lippen hingen aan het bijna noemen,
Totdat de namen welden uit zijn mond,
Als helder water wellend uit de diepte.
Bertus Aafjes, In den beginne, 1949

Reacties